Maria Sibylla Merian 3/731

1,100.00

Artikelnummer: 3/731 Categorie: Tag:

Beschrijving

Artiest: Maria Sibylla Meria
Techniek: kopergravure
Jaartal /eeuw: XVIII e
Formaat: 34x45cm/12.9×17.3 inches
Artikel nr: 3/731
(Anna) Maria Sibylla Merian (Frankfurt am Main, 2 april 1647 – Amsterdam, 13 januari 1717) was een Duitse kunstenares en entomologe die planten en insecten bestudeerde en daar gedetailleerde tekeningen van vervaardigde. In haar publicaties gebruikte zij zelf nooit haar eerste naam. Haar observaties en documentatie van de metamorfose van rupsen tot vlinders zijn een belangrijke, zij het niet algemeen bekende bijdrage aan de entomologie. Zij was voor zover bekend de eerste die de insecten tekende samen met de plant waar ze op gedijden.
Jeugd en huwelijk Ze werd geboren in Duitsland als eerste kind uit het tweede huwelijk van kunstenaar en uitgever Matthäus Merian de oude, en Johanna Sibylla Heim, en groeide daar op. De familie was kosmopolitisch: haar vader was geboren in Bazel, haar moeder stamde uit een Waals predikantengezin. Ze had op jonge leeftijd, 13 jaar, al belangstelling voor insecten, vooral de metamorfose van rupsen tot vlinders, aanvankelijk zijderupsen. Ze leerde tekenen en etsen van haar Nederlandse stiefvader Jacob Marrel, bekend om zijn bloemenschilderingen, die in 1651 met haar moeder trouwde. Haar broers Matthäus Merian de jonge en Caspar zetten na de dood van hun vader de uitgeverij voort.Op haar achttiende trouwde zij in 1665 met de architectuurschilder Johann Andreas Graff. Twee jaar later kreeg zij haar eerste dochter Johanna Helena, en verhuisde het gezin naar Neurenberg. Hier begon zij allerlei rupsen te verzamelen en bestudeerde ze de levensloop van rupsen en vlinders. Ze was enthousiast over deze door slechts weinigen gewaardeerde dieren, waarvan men sinds Aristoteles dacht dat ze uit vuil en modder ontstonden, en hun metamorfose in vlinders. Ze kweekte zelf rupsen om te zien welke vlinder er uit kwam. Ze maakte vervolgens schetsen van details als het eierleggen, de verpopping en de voedselplanten. Dit alles legde ze vast in een ‘studieboek’.
Dit studieboek was de basis voor haar eerste boek, dat in 1675 verscheen onder de titel “Neues Blumenbuch” (‘Nieuw bloemenboek’). In dit boek werden allerlei bloemen uiterst gedetailleerd weergegeven. In 1677 verschenen nog twee delen. Het gehele boek bestaat uit 3 delen van elk 11 platen. Deze boeken waren voornamelijk bedoeld als modellenboeken voor andere kunstenaars en voor borduurders (een belangrijk ambacht in die tijd). Ze zal de boeken verder gebruikt hebben als materiaal voor haar leerlingen. In 1678 kreeg ze haar tweede dochter Dorothea Maria, en in 1679 verscheen “Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung” (‘Over de wonderbare verandering van de rupsen en [hun] merkwaardig bloemenvoedsel’), haar tweede grote werk, dat door haar man werd uitgegeven. In dit boek werd de levenscyclus van verschillende vlinders afgebeeld, met hun voedselplanten.
Nederlandse tijd
Ze had weinig tijd voor haar man en deze had verschillende minnaressen. In 1685, na onenigheid binnen de familie over de verdeling van de boedel van haar overleden stiefvader (vrouwen konden in de 17e eeuw niet zelf erven, als ze getrouwd waren ging alles automatisch naar de man), en misschien ook door verschillen in religieus inzicht, verliet ze hem en trok met haar moeder en dochters naar het landgoed Walta-state in Friesland (Wieuwerd), waar haar halfbroer Caspar al woonde. Het slot was eigendom van Cornelis van Sommelsdijck, de gouverneur van Suriname. In het slot was een woongroep, een soort commune, gevestigd van de Labadisten, een religieuze groepering die leefde naar de ideeën van (de inmiddels al overleden) Jean de Labadie. Ze moesten hun wereldse bezittingen opgeven aan de commune en een huwelijk met iemand van buiten de commune werd niet erkend. Johann Graff probeerde zijn vrouw tevergeefs tot terugkeer te bewegen en heeft zelf ook nog enige tijd in de commune gewoond. Hij werd hier naar eigen zeggen echter heel slecht behandeld en moest zwaar werk doen waar hij ziek van werd. Ook was het in de commune niet toegestaan om kunst te maken. Maria Sibylla wilde in die tijd niets meer van haar man weten, ondanks dat ze officieel nog getrouwd waren. Een poos later probeerde Graff van haar te scheiden om zelf opnieuw te kunnen trouwen, wat in 1692 lukte. Ze ging in deze periode door met het bestuderen van insecten – het bedrijven van wetenschap was wel toegestaan in de commune – en maakte voor het eerst uit de tweede hand kennis met de Surinaamse natuur (de labadisten hadden een plantage in Suriname, waar Van Sommelsdijck gouverneur was, La Providentia (De Voorzienigheid).
Ze verhuisde een paar jaar later, na de dood van haar broer Caspar in 1686 en die van haar moeder in 1690, in de zomer van 1691 naar Amsterdam. Dit omdat de commune financieel in zwaar weer was geraakt en de leden gevraagd werd om weer voor hun eigen inkomen te gaan zorgen. Ook was in 1689 een epidemie in de commune uitgebroken, waardoor er elke 14 dagen een lid van de commune overleed. Gezien dat de commune uit ongeveer 300 mensen bestond, was dit een zware slag. Maria Sibylla en haar dochters zijn nooit – zoals wel wordt beweerd – van het labadistische geloof afgestapt. In Amsterdam kreeg ze vooral door haar rupsenboek snel contact met andere natuurliefhebbers en -onderzoekers, waardoor ze ook toegang kreeg tot volières, rariteitenkabinetten en oranjerieën van rijke particulieren zoals de burgemeester van Amsterdam, Nicolaas Witsen, en Frederik Ruysch, met zeldzame vogels en planten. Haar belangstelling voor de exotische natuur van de tropen werd mede door deze tuinen verder aangewakkerd. Ze zette in Amsterdam onder eigen naam een bedrijf op, waar ze onder meer pigmenten, penselen, geprepareerde insecten en dieren op sterk water verkocht. Haar oudste dochter, Johanna Helena Graff, was gehuwd met Jacob Hendrik Herolt, een Labadistische broeder die handelscontacten had met Suriname. Maria Sibylla maakte op 52-jarige leeftijd een reis naar Suriname samen met haar jongste dochter, Dorothea Maria Graff. De bootreis duurde in die tijd drie maanden. Vanuit de hoofdstad Paramaribo trokken de vrouwen in diverse excursies het binnenland in. Maria Sibylla Merian documenteerde alles wat ze over de metamorfose van tropische insecten kon ontdekken en maakte een groot aantal tekeningen en aquarellen. In 1701 werd ze echter ziek (misschien malaria?) en moest naar huis terugkeren samen met haar dochter. Het was ook belangrijk om snel te gaan omdat een oorlog tussen de Nederlanden, Engeland en Frankrijk dreigde uit te breken die het zeeverkeer voor een groot deel stil zou leggen. Merian nam volgens de passagierslijst van het koopvaardijschip De Vrede waar ze op voeren ook “een Indianin” mee naar Nederland. Het was in die tijd niet ongewoon om een inheemse bediende mee terug te nemen naar het thuisland. Waarschijnlijk deed Merian dit omdat zij in Amsterdam nog gebruik wilde maken van de kennis van deze vrouw voor haar Surinaamse Insectenboek.
Haar tekeningen en schetsen dienden nu als bron voor een prachtwerk in groot formaat over de Surinaamse flora en fauna. Met behulp van verschillende Amsterdamse kopergraveurs kon het boek na drie jaar hard werk in 1705 in Amsterdam verschijnen. Haar hoofdwerk is getiteld: Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ze schreef in het voorwoord:
“In het maaken van dit Werk heb ik niet eigenbaatzugtig geweest, zullende vergenoegt zyn , wanneer maar myne gedaane onkosten wederom krijg ; ik heb geen onkosten in het uitvoeren van dit Werk gespaart, maar heb de Plaaten door de beroemste Meesters doen snyden , en het beste Papier daartoe genoomen , op dat zo wel aan de Kenders der Kunst , als aan de Liefhebbers der Insecten en Planten plaisier en genoegen zoude geefen , gelyk ik my dan verblyden zal , wanneer ik hoore, dat ik mijn oogmerk berykt , en te gelyk genoegen gegeeven zal hebben.”
Er verscheen een Nederlandse (‘Verandering der Surinaamsche Insecten’) en een Latijnse editie.
In 1714 of 1715 kreeg ze een beroerte en moest zich daarna per rolstoel verplaatsen. De laatste twee en een half jaar van haar leven heeft zij hierdoor niet of nauwelijks kunnen werken. Haar dochters werkten al nauw samen met haar in haar atelier en hebben na haar beroerte haar werk voortgezet.
Tsaar Peter de Grote kocht toen hij in Nederland woonde in 1716 en 1717 een aantal van haar werken die zich tegenwoordig in de collectie van de wetenschapsacademie in de Hermitage bevinden. Bij haar overlijden werd ze in het overlijdensregister gekenschetst als ‘arm’, maar kreeg wel een eigen graf.
Betekenis voor de entomologie
Zij schilderde zeer nauwkeurig; de vlinders in haar boeken zijn van de afbeelding nog steeds te determineren (voorzover het geen vlinders betreft waarbij men daarvoor inwendige ontleding en een microscoop nodig heeft). Dit is zeker niet het geval bij alle tijdgenoten, ook beroemde, die vlinders schilderden. De ca 150 metamorfosen die zij van nederlandse en europese vlinders heeft geschilderd zijn allemaal juist, dwz de afgebeelde vlinder en rups horen inderdaad bij elkaar. Van tenminste 1 soort is bekend dat zij 12 jaar pogingen deed de rups op te kweken voor haar dit gelukte. In de Surinaamse afbeeldingen zijn echter vrij veel vergissingen gemaakt in dit opzicht, waarschijnlijk doordat bij het transport terug, toen zij ook ziek was, specimens door elkaar zijn geraakt. Haar werk is een belangrijke fase in het proces waarbij langzamerhand afgestapt werd van in het in haar tijd nog in brede kring aangehangen idee van de spontane generatie: dat rupsen niet, zelfs niet soms, maar helemaal nooit spontaan uit dode materie ontstaan was in haar tijd een doorbrekend inzicht waaraan zij door haar nauwkeurige levensbeschrijvingen heeft bijgedragen. William Harvey had pas kort voor haar geboorte de stelling gepubliceerd dat ieder dier uit een ei kwam, en dat was nog niet bewezen. Ook publiceerde zij mogelijk de eerste waarnemingen van parasitisme en zelfs van hyperparasitisme (waarbij parasieten of parasitoïden zelf weer worden geparasiteerd).

Ingelijst in goudgekleurde lijst

Maria Sibylla Merian
Artist: Maria Sibylla Meria
Technique: copperengraving
Year / century: XVIII e
Size: 34x45cm/12.9×17.3 inches
Article nr: 3/731
Maria Sibylla Merian was born on April 2nd, 1647 in Frankfurt on the Main. Her father, Matthaus Merian, the elder, was a well known copperplate engraver and publisher. He was in poor health when Maria was born to his second wife and he died in 1650 in nearby Schwalbach. It is part of the folklore of Maria Sibylla Merian that her father prophesied on his deathbed that the name of Merian would be remembered forever on account of the genius of his then three-year-old daughter. The publishing business was taken over by the children of Matthaus Merian and Maria´s mother received a settlement. She had nothing to do with the business after that.
The more lasting influence was that of Jacob Marell, whom Maria´s mother married in 1651. Marell was born in 1614 in the Dutch painter´s colony Frankentha. He learned his trade from the flower painter Jan i Davidsz de Heem (1606-1684) in Utrecht and from the still-life painter Georg Flegel (1563-1638) in Frankfurt. Already at thirteen Maria Sibylla Merian was interested in the insect and plant world. Secretly she began to catch insects to observe them. She created the first drawings and water-color paintings of insects and plants. In the 17 century interest in insects was unusual, because humans still believed that beetles, worms, larvae and caterpillars were formed from dirt and mud.
Jacob Marell recognized the talent of his stepdaughter and fostered it. During his many long absences from Frankfurt, he entrusted the care of little Maria Sibylla Merian to his student, Abraham Mignon (1640-1679). Maria Sibylla Merian continued her research and she observed, how caterpillars pupated themselves and how out of their cocoons the most beautiful butterflies and moths appeared. She recorded the metamorphosis in all stages as detailed in her sketch book. When she was 28, she published her first book “Neues Blumenbuch” and a short time later her first caterpillar book “Der Raupen wunderbare Verwandelung und sonderbare Blumennahrung”. Both books are richly illustrated with colored copperplate prints.
Maria Sibylla Merians special interest was the metamorphosis of the butterflies, which she tells about in her copperplate prints. Normally in the center of her drawings is a plant, that is the food basis and habitat of the caterpillar. This plant can be a garden flower, a meadow flower, a weed, or a vegetable plant.
After Maria´s second marriage ended in divorce in 1685, her eldest daughter, Johanna Helena, married the merchant Jacob Herolt from Bacharach who was involved in trade with the new Dutch colony of Suriname in South America. The picture that Maria Sibylla Merain received of South America and the insight into the living world that resulted from her acquaintance with collectors in Amsterdam such as Nicholas and Jonas Witsen, Livinus Vivinus Vincent and the professor of anatomy, Frederik Ruysch, is thought, to have aroused in her the desire to take the long and perilous journey to Suriname.
She received financial assistance from the city fathers in Amsterdam most likely because of her friendship with Nicolas Witsen the mayor and Jonas Witsen a town clerk. After eight years preparation Maria Sibylla Merian, then fifty-two, and her youngest daughter traveled three month by merchant ship to Suriname. For two years she not only went around the settlements and plantations, but the two women explored the interior and survived many perils. Maria Sibylla Merian documented the metamorphosis of the tropical butterfies and insects. From this experience she created the base of her major work “Metamorphosis Insectorum Surinamensium” which she published after the voyage in Amsterdam, 1705. The book became her most famous work, it contains many figures of tropical plants and animals, which were still completely unknown in Europe.
In 1711 Maria Sibylla Merian suffered a stoke and although greatly disabled she continued her work for six more years. She died in Amsterdam on January the13th, 1717. The register of death lists her as a pauper, but in spite of this she had her own grave. In the same year her daughter published for the first time all three parts of her mothers life´s work under the title Erucarum Ortus Alimentum et Paradoxa Metamorphosis dedicated Pia Memoriae Matris Ejus Maria Sibylla Merian and it contained a portrait of Merian in her old age by Houbraken. There are many different versions of how the entire works of this extraordinary woman ended up in Russia. The most reliable version is that the works were purchased by Tsar Peter the Great, during a visit to western Europe, only days before Merian´s death in 1717. Upon the Tsar´s death in 1725, the works were presented to the Academy of Science where they reside today.

In goldcolered frame